1.02.22 Inventaris van het archief van het Nederlandse Consulaat te Smyrna, (1611) 1685-1811 (1837)
Het consulaatsarchief Smyrna (1685-1811) bevat correspondentie met (overheids)instellingen, diplomatieke vertegenwoordigers, consuls, zeeofficieren en ambtenaren. Afkomstig van de Kanselarij der Nederlandse Natie te Smyrna zijn notulen, akten, financiële stukken en documenten betreffendenalatenschappen, faillisementen, processtukken van Nederlandse, Armeense, Franse en Griekse kooplieden en van Nederlandse schepen inclusief hun lading en eventueel opgelopen averij.Voorts stukken van onder meer Matthias van Asten, secretaris van Elbert de Hochepied, ambassadeur teConstantinopel, koopmanshuis Knipping & Ouckama en Ouckama & Co., Johann Frederik Mann, kanselier van het Nederlandse consulaat, Abaham Keun, kanselier van de Nederlandse natie en de koopmansfamilie Van Lennep te Smyrna. Nederlandse consuls beschermden bijvoorbeeld als vice-consulde belangen van Denemarken, Oostenrijk-Toscane, Rusland en Zweden. Ook hierover treft men correspondentie aan. Van de consuls Daniel Alexander en Daniel Jean de Hochepied zijn aantekeningen en correspondentie bewaard gebleven.Lees meerLees minder
Het merendeel der stukken is in het. Een aantal stukken is gesteld in talen als heten het
Nederlands
Frans
Turks
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de Oud-Hollandsche klerkencursief.
Archiefdienst
Nationaal Archief
Locatie
Den Haag
Archiefvormers
Consulaat Smyrna Knipping & Ouckema Ouckema & Co Smyrna, Consulaat Smyrna, Consulaat van Zweden Smyrna, Kanselarij der Nederlandse Natie Smyrna, Kanselarij van de Legatie van de Duitse Keizer en van de Legatie van de Groothertog van Toscane Smyrna, Kanselarij van de Legatie van Denemarken Smyrna, Protectoraat van Polen Smyrna, Protectoraat van Rusland Smyrna, Thesaurie der Nederlandse Natie Smyrna, Vice-Consulaat van de Duitse Keizer en de Groothertog van Toscane
Familie De Hochepied
Familie Van Lennep
Dutilh, Jean Jaques
Keun, Abraham
Mann, Johan Frederik
Slaars, André
Samenvatting van de inhoud van het archief
Het consulaatsarchief Smyrna (1685-1811) bevat correspondentie met (overheids)instellingen, diplomatieke vertegenwoordigers, consuls, zeeofficieren en ambtenaren. Afkomstig van de Kanselarij der Nederlandse Natie te Smyrna zijn notulen, akten, financiële stukken en documenten betreffende nalatenschappen, faillisementen, processtukken van Nederlandse, Armeense, Franse en Griekse kooplieden en van Nederlandse schepen inclusief hun lading en eventueel opgelopen averij. Voorts stukken van onder meer Matthias van Asten, secretaris van Elbert de Hochepied, ambassadeur te Constantinopel, koopmanshuis Knipping & Ouckama en Ouckama & Co., Johann Frederik Mann, kanselier van het Nederlandse consulaat, Abaham Keun, kanselier van de Nederlandse natie en de koopmansfamilie Van Lennep te Smyrna. Nederlandse consuls beschermden bijvoorbeeld als vice-consul de belangen van Denemarken, Oostenrijk-Toscane, Rusland en Zweden. Ook hierover treft men correspondentie aan. Van de consuls Daniel Alexander en Daniel Jean de Hochepied zijn aantekeningen en correspondentie bewaard gebleven.
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Consulaat en archief
Tijdens een groot deel van de zeventiende en de achttiende eeuw was de stad Smyrna een van de belangrijkste concentratiepunten van de Nederlandse handel. In de handel op Turkije heerste een veel sterkere overheidscontrole dan elders gebruikelijk. Deze controle op de Nederlandse handel werd uitgeoefend door de consul. Mede hierdoor is het archief van het Nederlandse consulaat in Smyrna, verreweg het omvangrijkste consulaatarchief dat uit de tijd van de Republiek is overgebleven, en verschilt het in een aantal opzichten van de overige archieven van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Republiek. Het is het archief van de vier consuls uit de familie De Hochepied, in hun tijd de meest vooraanstaande Europese familie te Smyrna en het archief van de Nederlandse koopmanskolonie, waartoe de rijkste Europese kooplieden in Smyrna behoorden met hun inheemse entourage.
De inhoud van het archief bestrijkt een wijder spectrum dan men gewoonlijk met de vervulling van de functie van consul in verband brengt. De consul in Smyrna rapporteerde over algemene aangelegenheden naar de Staten-Generaal op dezelfde wijze als een gezant. Hij was opperhoofd en rechter over de Nederlanders en een aantal Turkse onderdanen die tijdelijk onder Nederlandse rechtsmacht geplaatst waren. Dit, en het merkwaardige karakter van de stedelijke samenleving van Smyrna maken dat het gewenst is om in de inleiding op de inventaris op het archief van het consulaat een aantal aspecten aan te roeren die in het archief zelf veelvuldig aan de orde zijn.
Smyrna: stad en bevolking
Smyrna, nu officieel Izmir genoemd, ligt aan een diepe inham van de Westkust van Klein Azië. De inham vormt een uitstekende haven. De stad ligt tegen een heuvel aan de ingang van en vruchtbare vallei die diep in het centrum van Anatolië binnendringt. Aldus was de stad van oudsher een plaats waar goederen uitgewisseld werden tussen karavanen uit het binnenland en schepen uit het Westen. In de Middeleeuwen wisselde de stad herhaaldelijk van bezitter. Byzantijnen, Genuezen en Turken wisselden elkaar af. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw tot 1920 was de stad onafgebroken in handen van de Turken, daarna volgde een tijdelijk bezetting door het Griekse leger. Na de terugtocht van de Grieken ontstond in de stad een roes van moorden en branden die leidden tot een vrijwel totale verwoesting.
Rond het midden van de zeventiende eeuw had de stad Smyrna zich ontwikkeld tot een belangrijk centrum van internationale handel en sindsdien nam deze stad binnen het Osmaanse Rijk een bijzondere plaats in. De internationale handel dreef op katoen die door opkopers uit het achterland en van de Egeïsche eilanden werd aangebracht. In Smyrna werd de katoen dan overgenomen door exporteurs, die het naar West-Europa stuurden. Ook kwamen er in Smyrna met karavanen producten aan uit het binnenland van Anatolië vooral wol van angorageiten. Katoen en een aantal andere exportproducten van Smyrna vormden belangrijke grondstoffen voor de Europese textielindustrie. Daarom was er in Smyrna ook geld voor import uit het Westen, eerst voornamelijk van wollen stoffen, maar na het al te moeilijk worden van de landweg van Turkije naar Indië via Basrah kwamen uit het Westen ook koloniale waren als Indiase katoenen stoffen en specerijen.
Zoals de meeste Anatolische steden had Smyrna een zeer gemengde bevolking. Er woonde een tamelijk talrijke kolonie van Westeuropese kooplieden, voornamelijk Fransen en Italianen, maar ook Engelsen, Nederlanders, Duitsers en Zwitsers. Zij woonden aan de Frankenstraat, een weg die op korte afstand parallel liep aan de kade zodat de koopmanshuizen daar hun voordeur aan de straat en hun achterdeur aan de zee hadden. ( Dit kon tot merkwaardige incidenten leiden, waarbij de consulaatsgebouwen als vrije doorgang dienden naar de veiligheid van Europese schepen voor lieden die door de Turkse justitie gezocht werden, cf. B.J. Slot, 'E fygadevsis tou Joannou Patatianou, in: Mnêmosyne 9 (1982-1984) p. 119-128 ) Bij de groep van recentelijk geïmmigreerde kooplieden uit het Westen sloten zich enkele andere groepen aan van kleine kooplieden, ambachtslieden en zeelieden, omdat ze tot de Westerse, Latijnse ritus van de Rooms-katholieke kerk behoorden en dus door de Turkse overheid min of meer als Westerlingen werden behandeld: inwoners van het Joegoslavische kustgebied die onderdaan waren van de republieken Venetië en Ragusa (Dubrovnik) en afstammelingen van voornamelijk Italiaanse immigranten die zich sinds de kruistochten op enkele Griekse eilanden (Chios en de Cycladen) hadden gevestigd. De taal, die door deze laatste groep gesproken en geschreven werd, het Fragkochiotika, werd de algemene voertaal waarin de verschillende bevolkingsgroepen in Smyrna met elkaar communiceerden. Het is een insulair Grieks dialect met sterke Italiaanse invloeden dat niet met Griekse maar met Latijnse lettertekens wordt geschreven.
De eigenlijke Turken vond men vooral aan de top en de bodem van de stedelijke samenleving: in het stadsproletariaat en als ambtenaren en militairen. Zij speelden, met uitzondering van een kleine groep immigranten uit de Maghreb, geen rol in het internationale handelsverkeer.
De Armeniërs bestonden uit verschillende groepen die onderling niet in zeer goede verhouding stonden. In Smyrna kende men orthodoxe Armeniërs, en twee groepen die tot de Katholieke Kerk behoorden: een groep van 'geünieerde' Armeniërs die vasthielden aan de eigen Armeense liturgische gebruiken en een groep Armeniërs, oorspronkelijk afkomstig uit Naxivan (Nakhitsjevan) in het Kaukasische grensgebied met Perzië , die tot de Westerse vorm van de Katholieke Kerk behoorden en in Smyrna vaak 'Perzen' genoemd werden. Oorspronkelijk speelden vooral de orthodoxe Armeniërs een grote rol in de internationale handel, zowel met Nederland als overland met India. De gevaarlijke toestanden op de landweg naar Indië die vooral in de eerste helft van de achttiende eeuw heersten veroorzaakten echter een belangrijke economische achteruitgang van deze groep. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw vindt men in de omgeving van de Europese consulaten steeds meer 'Perzen'.
De Grieken vormden de talrijkste christelijke groepering in Smyrna. Hun aantal nam gestaag toe, zowel door immigratie uit het achterland, als door immigratie van de eilanden en kustgebieden van de Egeïsche Zee, vooral van het naburige Chios. Oude rijke families van Chios vormden in de achttiende eeuw een gesloten patriciaat dat zowel in politieke als in economische zin de Griekse gemeenschap domineerde. Rond 1700 begonnen Grieken uit Smyrna handel te drijven op Nederland zonder bemiddeling van de in de stad gevestigde Nederlandse kooplieden. Sinds het midden van de achttiende eeuw vindt men ook Griekse vertegenwoordigers van deze firma's gevestigd in Amsterdam.
De Joden vormden in Smyrna een vrij talrijke bevolkingsgroep. Voor het merendeel waren zij afstammelingen van Joden die tijdens de 16de eeuw uit Spanje waren verdreven. In de handel met Nederland speelden zij geen zeer belangrijke rol. Wel domineerden zij de handel tussen Smyrna en de in die tijd zeer drukke havenstad Livorno.
Geschiedenis van het consulaat
Van de oudste geschiedenis van het Nederlandse consulaat in Smyrna is maar zeer weinig bekend. De eerste consuls werden benoemd door de gezant in Turkije zonder dat de Staten-Generaal of andere overheden in Nederland op enigerlei wijze bij deze benoemingen betrokken waren. ( De lijst van de Nederlandse consuls en een fragmentarische lijst van het overige personeel van het consulaat in O. Schutte, Repertorium der Nederlandse vertegenwoordigers residerende in het buitenland ('s-Gravenhage 1976) ) Aangezien het oudste deel van het gezantschapsarchief Turkije vrijwel geheel verdwenen is en de gezanten het ook niet nodig oordeelden om de Staten-Generaal in te lichten over benoemingen op posten van secundair belang, valt in overheidsarchieven weinig of niets te vinden. ( Een lijst van de onmiddellijk na de opening van diplomatieke betrekkingen in Turkije gevestigde Nederlandse consulaten in Baudartius, Memoriën (Arnhem, 1624) , jaar 1612 p. 187. ) Een toevalstreffer is dat in het album amicorum van de ambassadesecretaris Ernst Brinck een in het jaar 1614 geschreven boodschap staat van de eerste Nederlandse consul in Smyrna. ( Van de eerste consul is alleen een opdracht bewaard die hij schreef in het album amicorum van de gezantschapssecretaris Ernst Brinck in 1613: Koninklijke Bibliotheek, handschrift 135 K 4 ) Voornamelijk naar aanleiding van geschillen tussen de consul en Nederlandse schippers vinden wij vervolgens enkele vermeldingen van een latere consul, Nicolo Orlando, een Venetiaan. ( Van Orlandi is een rapport met handelsgegevens over Smyrna in afschrift door de gezant Cornelis Haga naar de Staten-Generaal gestuurd: Bronnen tot de geschiedenis van den Levantschen Handel, deel 1/1 p. 609-611. ) Deze werd in 1635 opgevolgd door Duca de Giovanni, een Griek. Al deze jaren was er weinig dat Smyrna onderscheidde van de andere kleine consulaire posten in het Egeïsche gebied. In deze situatie kwam verandering door de explosieve groei van de Nederlandse handel met Smyrna. Smyrna werd een zeer belangrijke markt voor Nederlands laken, en tevens de voornaamste leverancier van grondstoffen voor de opkomende Nederlandse katoenindustrie. Er vestigden zich Nederlandse kooplieden, waarvan verscheidene uit invloedrijke Leidse en Amsterdamse families voortkwamen, De wel uitermate schetsmatige regelingen die bestonden voor de bevoegdheden van de consuls en voor de heffing van rechten op de handel, waren volslagen onvoldoende in de nieuwe situatie. De weinig competente Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Constantinopel, Levinus Warnerus was de man niet om verbetering in de zaak te brengen, en de Nederlanders die Duca di Giovanni opvolgden muntten niet uit door plooibaarheid. Het voornaamste probleem was dat er geen goede regeling bestond over de verdeling van de inkomsten van het consulaat tussen de gezant in Constantinopel en de consul, terwijl de Nederlandse kooplieden er weinig voor voelden de sommen te betalen die gezant en consul eisten. De kooplieden klaagden er terecht over dat de gezant en consul weinig nuttigs met de heffingen op de handel deden; gezant en consuls klaagden dat ze niet de beschikking hadden over voldoende liquide middelen om de van tijd tot tijd voorvallende Turkse eisen voor buitengewone betalingen te voldoen.
De opvolgers van Duca di Giovanni werden nog wel door de gezant benoemd, maar deze benoemingen geschiedden op recommandatie van de Staten-Generaal. De Leidenaar Michel du Mortier was een moeilijk man, zijn opvolger Gerard Smits was te slap en liep aan de leiband van de kooplieden. Diens opvolger, Jacob van Dam, trachtte enigszins orde op zaken te stellen, maar dit gaf aanleiding tot heftige conflicten, totdat de Staten-Generaal in 1675 een 'reglement voor de consul in Smyrna en de resident in Constantinopel' uitvaardigden, waarin in ieder geval de financiële kwesties geregeld werden. De inkomsten uit de in Constantinopel en Smyrna geheven rechten werden in beide plaatsen in een speciale kas gestort die onder dagelijks beheer kwam te staan van een door de directeuren van de Levantse Handel te benoemen thesaurier. Uit deze kassen werden de salarissen betaald voor zover deze niet ten laste van de Staat kwamen, en tevens kon daaruit aan incidentele Turkse verlangens worden voldaan. De feitelijke verantwoordelijkheid voor de financiën en in de praktijk voor bet hele bestuur en rechtspraak over de Nederlandse kolonie kwam aan een nationaal college van consul, thesaurier en enkele assessoren die door de directeuren werden benoemd op voordracht van de Nederlandse 'natie'. Tot de Nederlandse natie behoorden uitsluitend de firmanten van Nederlandse koopmanshuizen te Smyrna voor zover ze waren toegelaten tot de aflegging van een eed waarin zij beloofden de gestelde regels te zullen naleven en naar waarheid aangifte te doen van de door hen verhandelde goederen in verband met de consulaire heffingen.
Daarmee waren de zaken in Smyrna voorlopig geregeld, ook al duurde het enkele jaren voordat het reglement werkelijk tot uitvoering kwam. Er bleven conflicten, vooral ook omdat de consul Van Dam geen gemakkelijk heer was. In 1687 werd Jacob van Dam opgevolgd door Daniel Jan de Hochepied, een zoon van een rijk Amsterdams koopman. Daarmee begint een geheel nieuwe periode in de geschiedenis van het Nederlandse consulaat. Daniel Jan leek voor een grotere carrière bestemd, maar hij bleef zijn hele verdere leven consul in Smyrna, hoewel het erop lijkt dat hij wel ambities gekoesterd heeft om bijvoorbeeld als Nederlands ambassadeur in Turkije een meer vooraanstaande rol te spelen in de Nederlandse diplomatie. Dit laatste blijkt wel uit de uitvoerige documentatie betreffende de internationale politiek die hij bijeenbracht. Hij was verwant aan vele leidende persoonlijkheden in de Republiek. Ook trad hij op voor bevriende mogendheden. Zijn optreden in Smyrna als behartiger van de belangen van de Duitse keizer leverde hem de titel van baron op.
De oudste zoon van Daniel Jan, Daniel Alexander, volgde hem na zijn dood in 1723 op. Deze consul beperkte zijn activiteiten en belangstelling geheel tot het Nederlandse consulaat in Smyrna en tot de behartiging van de belangen van een aantal bevriende mogendheden. Tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw was de Nederlandse handel op Smyrna in verval, maar deze herstelde zich rond het midden van de eeuw. Als beloning voor zijn grote inspanningen voor Oostenrijkse krijgsgevangenen ontving hij van keizerin Maria Theresia de titel van rijksgraaf. Een jongere broer, Elbert, werd in 1747 ambassadeur in Constantinopel en bekleedde deze functie tot zijn dood in 1763, maar de relaties tussen de beide broers waren niet erg nauw. Daniel Alexander stierf in 1759 en werd door zijn zoon Daniel Jean opgevolgd.
In de tijd van Daniel Jean de Hochepied (1759-1796) valt de laatste bloeiperiode van de handel tussen Nederland en Smyrna. Voor een belangrijk deel was deze handel nu in handen van Osmaanse onderdanen, vooral Grieken. Uit het archief van het consulaat blijkt overduidelijk hoe nauw de relaties waren tussen de consul en de Griekse koopmanskringen, die ongeveer de helft van de handel tussen Nederland en Smyrna voor hun rekening namen. De consul mocht zelf geen handel drijven, maar wij krijgen de indruk dat hij in stilte de hand had in vele operaties van Nederlanders en Osmaanse onderdanen. Ook behartigde hij de belangen in Smyrna van vele andere mogendheden, zoals uit het archief blijkt, maar aangezien Nederland na Frankrijk nog steeds de belangrijkste handelsmogendheid in Smyrna was, was het Nederlandse consulaat voor hem het belangrijkste. In de politieke partijtwisten die in zijn tijd in de Republiek woedden hield hij zich op de vlakte; uit zijn particuliere correspondentie blijkt dat hij niet zoals zijn voorouders een Oranjeklant was, maar privé tamelijk radicale denkbeelden koesterde. Hij had ook wat duistere relaties met beginnende onafhankelijkheidsbewegingen in Turkije.
Zijn zoon en opvolger Jacobus ('Coco') was Nederlands consul in Smyrna van 1796 tot 1810 en van 1814 tot aan zijn dood in 1824. Met de nieuwe tijden moest er ook een einde komen aan het merkwaardige gebruik dat de Nederlandse consul in Smyrna een hele stoet van mogendheden vertegenwoordigde. De ineenstorting van de Nederlandse scheepvaart op de Levant tengevolge van de oorlogsomstandigheden na 1792 verminderde het belang van het Nederlandse consulaat. Aan de grote rijkdom van de familie De Hochepied kwam voorlopig nog geen einde. Een Franse reiziger vertelt dat 'le comte de Auchepied' een van de rijkste bankiers van Smyrna was. ( Comte de Forbin, Voyage dans le Levant (Paris 1819) , p. 52. ) Na de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk werd het Nederlandse consulaat opgeheven. Van de periode vanaf het herstel van het consulaat in 1814 tot de ramp van 1922 is het consulaatarchief op enkele minieme fragmenten na verloren gegaan.
Handel
Het is hier niet de plaats om de geschiedenis te schrijven van bloeitijd en verval van de handel tussen Nederland en Smyrna. Wel is het van belang hier een schets te geven van de aard van deze handel en de rol die de Nederlandse consuls in handelszaken speelden.
De Nederlande handel op Smyrna was voornamelijk een uitwisseling van Nederlandse en koloniale producten tegen katoenen garens, ruwe katoen, angorawol, zijde, vilt, gedroogde vruchten en allerlei 'drogues'. Oorspronkelijk vormden in Smyrna gevestigde Nederlandse kooplieden de spil van deze handel: zij importeerden de Europese producten en ruilden die, vaak met bemiddeling van vooral Joodse makelaars, in tegen de locale producten bij inheemse kooplieden in de bazars van Smyrna. Er waren daarnaast altijd wel inheemse kooplieden die direct zaken met Nederland deden. Rond het midden van de achttiende eeuw treedt er en verschuiving op. Het grootste deel van de koopwaar wordt direct verhandeld tussen inheemse kooplieden en kooplieden in Nederland, terwijl de grootste inheemse kooplieden, vooral Grieken, zelf agenten in Amsterdam hebben.
De Nederlandse handel op Smyrna, was in tegenstelling tot die van concurrerende mogendheden, voornamelijk grootschalig: grote schepen vervoerden grote hoeveelheden koopwaar tussen grote havens. De grote Nederlandse schepen waren een relatief veilig transportmiddel, en tijdens de vele turbulente perioden in de geschiedenis van het gebied vond de Nederlandse scheepvaart een aanzienlijke extra verdienste in het vervoer van goederen tussen allerlei kleinere havens in het gebied. Een bijzondere plaats nam ook Livorno in: deze vrijhaven diende als tussenstation om ongehinderd koopwaar uit de Levant naar te brengen naar landen als Frankrijk en Engeland, waar beperkingen voor de vrije handel op de Levant bestonden.
Voor de Nederlandse handel was Smyrna de grote stapelplaats in de Levant. Vanuit Smyrna werd de koopwaar meestal met kleine inheemse of Dalmatische schepen naar de kleinere havens gebracht. Bijna alle havens in Turkije hadden zo hun verbindingen met Nederland hoofdzakelijk via Smyrna (de enige uitzonderingen waren de Westkust van Griekenland die via de krentenhaven Zakynthos werd bestreken en de grote Syrische handelsplaats Aleppo). De Nederlandse kooplieden in Smyrna beperkten hun activiteiten niet tot de directe handel Nederland Smyrna: uit koopmansarchieven blijkt dat zij gecompliceerde handelsoperaties uitvoerden met het gehele kustgebied van de Middellandse Zee.
Het betalingsverkeer met de Levant ondervond bijzondere moeilijkheden van de zeer hoge rentevoet in Turkije, de onveiligheid van wegen en scheepvaart routes en de geringe solventie van inheemse kooplieden. Tengevolge hiervan werkte men vrij veel met vormen van ruilhandel en termijetaling en er werd ook wel eens merkwaardig met wissels gemanipuleerd. De methodes van zakendoen waren niet altijd even solide en er was een aantal geruchtmakende faillissementen.
"Protectie"
Zoals hierboven vermeld, bestond er naast het werkelijke consulaire personeel een aantal personen die een min of meer honoraire betrekking aan het consulaat bekleedden. De ambassadeur had het recht een aantal patenten te verlenen voor de functie van dragoman (tolk). Een belangrijk consul, zoals de Nederlandse consul in Smyrna, bezat een vrij groot aantal van dergelijke tolken. Een dragoman was eigenlijk niet zo maar een tolk. Aangezien het in Turkije schadelijk werd geacht voor het prestige van de consuls om direct met Turken te onderhandelen (de Turken wilden nog wel eens grof optreden) , werden de besprekingen met Turken vaak gevoerd door de dragoman alleen. Het is wel zo dat dit in Smyrna wat minder het geval was dan elders in Turkije omdat in deze stad een zo Europese sfeer heerste dat de bewegingsvrijheid der consuls er groter was. Toch had vooral de consul in Smyrna, om zijn prestige te benadrukken, een groot aantal dragomans. Deze dragomans werden voorgedragen door de consul aan de ambassadeur die hen een 'patent' (het Nederlandse bewijs van aanstelling) gaf. De ambassadeur verkreeg vervolgens van de Porte tegen betaling een 'berat' (exequatur) , waarmee de Porte de betreffende persoon als dragoman erkende. Het bezit van een berat verschafte vrijdom van bepaalde belastingen en onttrok de drager gedeeltelijk aan de jurisdictie van Turkse rechters, in plaats daarvan stonden zij dan gedeeltelijk onder de rechtsmacht van de consul. In principe gold een berat alleen voor het Turkse administratieve district waarin het consulaat was gevestigd waarvoor hij was afgewezen, maar een barattair (Turks 'beratli', houder van een berat) , kon een reispas (yol emri) verwerven, die hem toestond zijn voorrechten ook op reis te genieten. Daarvan kon hij dan een oneigenlijk gebruik maken door zich permanent elders te vestigen met behoud van voorrechten. De functie van tolk had dan geen enkele werkelijke betekenis meer. De berat gold voor de drager en voor zijn inwonende gezinsleden, en voor twee bedienden. Deze bedienden kregen een 'nefer ferman' en werden 'fermanli' genoemd. Ook van deze fermans werd een oneigenlijk gebruik gemaakt doordat de consul of ambassadeur deze fermans afzonderlijk verkocht aan lieden die in geen enkele relatie tot de barattair stonden. In Smyrna werden vaak berats of fermans gekocht voor- of door opkopers die voor de Nederlandse koopmanshuizen inheemse producten in het binnenland van Anatolië opkochten of door inheemse kooplieden die veel zaken met Nederland deden. ( Het enige werk uit de omvangrijke bibliografie over de protectie in Turkije dat enigszins bruikbaar is voor de periode voorafgaand aan de hervormingen in Turkije in de negentiende eeuw is K.M. Kontogiannês, Oi prostatevomenoi, in: Athêna 29 (1917) , p. 1-160. )
Omdat de Nederlandse consul ook vice-consul was van een aantal andere mogendheden, beschikte hij niet alleen over tolken etc. voor zijn hoedanigheid als Nederlands consul, maar had hij ook beratlis en fermanlis voor de andere door hem vertegenwoordigde naties. Omdat die mogendheden vaak weinig zaken in Turkije deden, werd deze uitbreiding van de mogelijkheden om personen onder protectie te nemen gebruikt om nog meer 'relaties' van Nederland een ferman of berat te verschaffen. Zo stond Giovanni Mavrogordato (Joannis Mavrokordatos) , die in de tweede helft van de achttiende eeuw de grootste Griekse firma in de Nederlandse levant handel leidde, onder Zweedse protectie.
De praktijk was dat de berats voor honoraire functies door de ambassadeur voor veel geld werden verkocht aan door de consul voorgedragen personen. De bedragen waren vaak veel hoger dan de feitelijke administratieve onkosten en omkoopsommen voor de uitvaardiging van het berat, zodat de ambassadeur daaraan een flink clandestien neveninkomen bezat. De onkosten voor de berats voor de 'echte' dragomans werden door de kas van de directie gedragen.
De consul in Smyrna had het recht twee vice-consuls te benoemen binnen zijn ressort: op de eilanden Chios en Mytilini (Lesbos). Beide eilanden waren niet oelangrijke handelsplaatsen en dienden als voorhavens of tussenstations voor de scheepvaart van Smyrna naar Europa en van Smyrna naar Constantinopel. Voor deze vice-consuls was niet altijd een berat nodig, vaak was een akte ('buyuruldi') van de opperbevelhebber van de Turkse vloot (tevens gouverneur van de eilanden) voldoende. De vice-consuls genoten dezelfde voorrechten als de barattairs.
Kerkelijke zaken
De Nederlandse kolonie had in Smyrna een eigen protestants kerkje met sinds 1661 een Nederlands predikant die uit de fondsen van de directie werd onderhouden. Dit kerkje is een van de zeer weinige gebouwen die nu nog van het oude Smyrna overeind staan, bijna al het andere is in 1922 verwoest. Het archief van de Nederlandse kerk is in de ramp van 1922 verloren gegaan. Behalve een kerk had de Nederlandse kolonie in de achttiende eeuw ook een eigen hospitaal, vooral voor zieke zeelieden. Dit hospitaal was ontstaan uit een onder Nederlands beheer staande quarantaineplaats die het overslaan van de frequente pestepidemieën moest voorkomen.
Het moge enigszins vreemd klinken, maar de consul van de Republiek speelde in Smyrna een belangrijke rol bij de bescherming van de belangen van de Rooms-katholieke Kerk. Dit was een situatie die vrijwel geruisloos gegroeid was in de zeventiende eeuw. Een van de Nederlandse consuls in de zeventiende eeuw, Smits, had altijd het klooster Santa Maria van de Kretenzische Franciscanen begunstigd. Toen in de oorlog tussen Venetië en Turkije van 1644-1699 de Turken Kreta grotendeels veroverden, kwam de rechtspositie van de Venetiaanse katholieke bevolkingsgroep in Smyrna onder druk te staan. Gezien de sympathie die er traditioneel bestond tussen de Republiek en Venetië is het niet verwonderlijk dat de Nederlanders deze groep een handje hielpen, ook al omdat de enkele Nederlandse katholieken in Smyrna aan de marge van deze Venetiaanse groep leefden. Het klooster was voortaan in de ogen van de Turken de katholieke kapel van het Nederlandse consulaat, zoals de andere katholieke kerken in Smyrna onder bescherming van de Franse consul kwamen te staan. Nadat Kreta Turks was geworden kwamen de monniken uit dit klooster uit de Venetiaanse gebieden in Italië, hoewel men er ook soms monniken met Nederlandse namen aantreft. Het klooster fungeerde ook als parochiekerk voor de Keizerlijke en Toscaanse onderdanen in Smyrna, omdat die onderdanen tenslotte ook onder Nederlandse bescherming stonden.
Deze situatie verklaart de aanwezigheid van correspondentie met katholieke kerkelijke autoriteiten in het archief van het Nederlandse consulaat. Aan deze merkwaardige positie van de Nederlandse consuls kwam een einde na de dood van Daniel Jean de Hochepied in 1795. Voortaan benoemde de Keizer zijn eigen consul in Smyrna, en omdat in die tijd de Keizerlijke onderdanen en geprotegeerden de meerderheid onder de parochianen van Santa Maria vormden, kwam het klooster min of meer automatisch onder de bescherming van het Keizerlijke consulaat te staan. Het archief van het klooster schijnt de ramp van 1922 overleefd te hebben.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Het oudste deel van het consulaatarchief is bij een aardbeving in 1685 verloren gegaan. Ook van het latere deel zijn tengevolge van branden en aardbevingen grote stukken verdwenen. Hetgeen nu nog bestaat is een verzameling grote brokstukken van verschillende onderdelen van het archief. Deze verzameling moet in twee delen gescheiden worden: het archief van de consuls en dat van de kanselarij. Het archief van de consuls schijnt in 1810 bij de opheffing van het consulaat tengevolge van de inlijving bij Frankrijk niet aan de Franse consul te zijn overgedragen, maar in handen van de familie De Hochepied te zijn gebleven. Het archief van de kanselarij is wel in 1810 aan de Franse consul overgedragen. Het is grotendeels wel weer in 1816 teruggegeven, met uitzondering van enkele tamelijk belangrijke documenten, die spoorloos verdwenen zijn. Nader onderzoek in het archief van het Franse consulaat in Smyrna heeft geen zin meer omdat dit vrijwel geheel vernietigd is in de ramp van 1922
Het is niet gemakkelijk om te reconstrueren hoe men in 1893 te werk is gegaan bij het terugsturen van de archieven naar Nederland. Men heeft blijkbaar alles wat men aantrof en min of meer oud leek op een KNSM schip geladen. Daarbij zijn dan vrij veel stukken van particuliere aard van de familie De Hochepied meegekomen, maar er is toch nog wel een rest van particuliere en zakelijke stukken bij deze familie blijven hangen, zoals blijkt uit de inventaris van het familiearchief De Hochepied. Dit archief berust eveneens bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief. Er zijn vermoedelijk enkele stukken in Smyrna achtergebleven die men daar nog nodig meende te hebben: in het bijzonder Turkse akten die nog waarde hadden als rechtstitels. Veel van de belangrijkste Turkse akten waren trouwens nooit van de Fransen terugontvangen. Derhalve vindt men in het consulaatarchief maar zeer weinig Turkse akten en zelfs maar een enkele originele Turkse sultanoorkonde met betrekking tot de Nederlandse belangen. Overigens moet erop gewezen worden dat bij vernieuwing of uitbreiding van dergelijke oorkonden het oude exemplaar vaak aan de ambassade werd gestuurd, zodat men in het legatiearchief nog een vrij groot aantal fermans betreffende Smyrna vindt. In het legatiearchief en in de collectie Van Dedem van de Gelder kan men ook nog de Turkse tekst van veel fermans betreffende Smyrna terugvinden in de kopieboeken van Turkse stukken. Helemaal verdwenen zijn de registers van patenten en paspoorten waaruit moest blijken wie Nederlands onderdaan of geprotegeerde was. Er werd nog een reeks registers van de Fransen terug ontvangen, in 1893 werd er maar een (1785-1791) naar Nederland gestuurd, en dat ene register was blijkbaar al in 1893 verdwenen: de verdenking ligt voor de hand dat deze verdwijning met twijfelachtige claims op de Nederlandse nationaliteit van een aantal ex-geprotegeerden in Smyrna te maken heeft.
De verwerving van het archief
Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.
Inhoud en structuur van het archief
Verantwoording van de bewerking
In 1893 verscheen in de Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven een summiere lijst van het consulaatarchief, die echter totaal geen beeld geeft van de opbouw van het archief. In vergelijking met de overdrachtslijst die in 1810 van het kanselarijarchief werd opgemaakt, blijkt dat men de losse stukken en dossiers min of meer als puin chronologisch bij elkaar heeft geveegd. De ergste dingen schijnen gebeurd te zijn bij het verzamelen van de stukken in Smyrna voor verzending naar Nederland. Uit de begeleidende lijst, opgemaakt door de consul, blijkt dat er al behoorlijk geschoven is. De in 1893 gepubliceerde inventaris vormt geen verbetering: er zijn nog weer nieuwe fouten ingeslopen. De toeschrijvingen van de bij het kanselarijarchief gedeponeerde archieven is vaak onjuist. Ook de beschrijving van de stukken in het archief van de consuls zelf is vaak twijfelachtig. In het bijzonder heeft men niet altijd begrepen of het stukken betreffende de Nederlandse belangen waren, of dat het ging om stukken van particuliere aard of zelfs stukken betreffende consulaten van vreemde mogendheden.
Ordening van het archief
In deze inventaris is geprobeerd de verschillende elementen waaruit het archief bestond weer te reconstrueren en de stukken daarin een logische plaatsing te geven.
Van het eigenlijke archief van het consulaat, dat de briefwisseling van de consuls en enkele daarbij aansluitende notities bevat, is geen oude inventaris of lijst bewaard gebleven. De stukken zijn in een zo logisch mogelijke volgorde geplaatst en beschreven. Enkele stukken die tussen de losse stukken van de kanselarij waren verzeild geraakt, zijn weer naar het archief van de consul teruggebracht. De consul in Smyna was een van de weinige consuls die in de tijd van de Republiek een geregelde en frequente briefwisseling met de Staten-Generaal onderhield. Bijna op de voet van een diplomatiek vertegenwoordiger stuurde hij meestal tweewekelijks nieuwsbrieven naar de Griffie. Dit tweede nieuwskanaal vanuit Turkije viel niet altijd bij de gezanten in Constantinopel in de smaak, maar het was een oude traditie waar zij niets aan konden doen, zelfs toen de reden voor deze afwijkende situatie (betere postverbindingen vanuit Smyrna dan vanuit Constantinopel) niet meer bestond.
Bij het archief van de kanselarij is zoveel mogelijk geprobeerd de toestand van 1810 te herstellen en de gevolgen van het bij elkaar vegen van de losse kanselarijstukken bij de inventarisatie van 1893 ongedaan te maken. Zo zijn weer aparte series procesdossiers, erfenispapieren, dossiers van averij grosse, en dossiers betreffende faillissementen hersteld. Er zijn nog enkele rubrieken gevormd uit andere losse bescheiden die zonder veel systeem tussen de kanselarijakten werden aangetroffen. Een uitzondering op deze regel van herstel van de oude orde is alleen gemaakt voor de in de inventaris van 1810 genoemde losse gedeponeerde bescheiden: die waren niet altijd met zekerheid terug te herkennen en zijn derhalve in de chronologische serie van losse akten gelaten.
Bij het archief van de kanselarij werden nog wat dossiers en delen aangetroffen die afkomstig waren van particulieren. In sommige gevallen weten wij dat het ging om formele depots, in andere gevallen zijn wij hiervan niet zeker. Deze stukken zijn ondergebracht in een onderafdeling 'bij de kanselarij gedeponeerde- en andere in het kanselarijarchief aangetroffen stukken' als kleine particuliere archieven.
Bij het kanselarijarchief werd ook het archief van de thesaurie bewaard, waarin de rekeningen van ontvangsten en uitgaven van het consulaat berusten. De thesaurier was rekenplichtig aan de directeuren van de Levantse Handel, maar bijna alle rekeningen van de consulaire thesaurie in het archief van de presidiale kamer van de directie te Amsterdam zijn verloren gegaan. In deze inventaris is het archief van de thesaurie in een apart hoofdstuk ondergebracht. Een aantal losse stukken van de thesaurie, vooral uit de series manifesten van scheepsladingen losgeraakte brokstukken, werd tussen de losse stukken van de kanselarij aangetroffen, waar zij vermoedelijk bij de inventarisatie van 1893 waren ingevoegd. Deze stukken zijn teruggebracht naar het archief van de thesaurie.
Met de archieven van het Nederlandse consulaat kwamen in 1893 ook tamelijk omvangrijke bestanden mee van de consulaatarchieven van andere door leden van de familie de Hochepied vertegenwoordigde mogendheden. Daniel Jan en Daniel Alexander hadden geen duidelijke scheiding aangebracht tussen de verschillende consulaatarchieven (wel tussen de kanselarijarchieven). Daniel Jean hield de Nederlandse en niet-Nederlandse zaken enigszins gescheiden. Een totale scheiding was onmogelijk omdat de zaken vaak door elkaar liepen. Het duidelijkst is dit in het geval van de correspondence met de vice-consul op Chios die ook weer vice-consul of consulair agent was van verscheidene mogendheden. In deze inventaris is gepoogd door splitsing en verwijzingen het geheel zo doorzichtig mogelijk te maken.
Het in 1893 overgebrachte consulaatarchief bevatte een groot aantal stukken van particuliere aard, afkomstig van de familie De Hochepied. Het is in het algemeen zeer moeilijk om bij deze familie met zijn vele belangen in Smyrna het ambtelijke van het particuliere te scheiden. Complicaties worden veroorzaakt door de lokale omstandigheden: vooral in gevaarlijke tijden vertoefden de consuls vaak in hun buitenhuis in Sevdiköy en hadden daar niet hun hele archief bij zich. Het gevolg is dat er wel eens ambtelijke stukken in particuliere brieveoeken verzeild raakten en omgekeerd. Een bijzonder probleem wordt gesteld door een aantal stukken afkomstig van de consul Daniel Jan de Hochepied. Zoals vermeld had deze grote ambities in de Internationale politiek en hield daarom een uitvoerige documentatie bij van afschriften van allerlei stukken op dat gebied. Ook maakte hij voor eigen gebruik veel afschriften van interessante stukken betreffende het consulaat Smyrna en betreffende Turkije in het algemeen. In deze inventaris zijn deze stukken als particuliere aantekeningen beschouwd. In deze serie bevindt zich één twijfelgeval: een recueil van ingekomen en uitgaande brieven van de consul en van de natie te Smyrna. Aangezien dit recueil slecht in het archief van het consulaat past, en aangezien het qua opzet aansluit bij de overige aantekeningen van Daniel Jan de Hochepied is het bij diens particuliere aantekeningen ondergebracht. Bij deze aantekeningen vindt men tevens stukken die nog door De Hochepied zijn gekopieerd toen hij nog secretaris van de resident Justinus Colyer was.
De particuliere stukken van latere consuls dragen inderdaad een zuiver privé-karakter. De bundeltjes met politieke aantekeningen van de consul Daniel Jean de Hochepied zijn niet zoals die van zijn grootvader achteraf genoteerde memorabilia, maar een verzameling notities die als bron diende voor de politieke rapportage van de consul aan zijn verschillende principalen.
Een gering aantal stukken van het consulaat na 1814 is bij toeval onder de stukken die in 1893 naar Nederland werden overgestuurd verspreid geraakt. Gezien het uitermate fragmentarische karakter van deze verzameling leek het niet verstandig om hieruit een apart 'consulaatarchief 1814-1922' te construeren: het consulaatarchief over deze periode is verder geheel in de ramp van 1922 verdwenen. Beter leek het deze stukken in een aanhangsel bij deze inventaris op te nemen en daarin tevens pro-memorie enkele delen uit de periode voor 1810 te vermelden, waarin ook na 1814 aantekeningen gemaakt zijn.
Bij het opstellen van deze inventaris vormde de spelling van Turkse, Griekse en Armeense namen een bijzonder probleem. De bestaande regels voor wetenschappelijke transcriptie zijn verre van eensluidend en zijn in dit verband niet bruikbaar. Gekozen is voor het systeem van transcriptie van eigennamen zoals door de archiefvormers is aangehouden: uitgaand van de Italiaanse fonetiek en het Fragkochiotika. Daarbij zijn wel inconsistenties rechtgetrokken, zodat voor iedere naam één enkele vaste spelling bestaat. Voor Turkse administratieve begrippen is de thans gebruikelijke Turkse spelling aangehouden.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van kwetsbare of slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG: Nationaal Archief, Den Haag, Consulaat Smyrna, nummer toegang 1.02.22, inventarisnummer ...
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Verwante archieven
2.05.95 Inventaris van het archief van het Consulaat-generaal te Smyrna/Izmir (Turkije), (1905) 1922-1932 (1947)
1.10.41 - Familie De Hochepied, 1647-1956
Bijlagen
Overzicht van geraadpleegde bronnen
Bronnen tot de geschiedenis van den Levantschen Handel. Verzameld door K. Heeringa (deel 1-2; door J.G. Nanninga deel 3-4) . 's-Gravenhage 1910-1966. Rijksgeschiedkundige Publicatiën, Grote Serie nrs. 9, 10, 14, 95, 115, 120. G.R. Bosscha Erdbrink, At the threshold of felicity: Ottoman-Dutch relations during the embassy of Cornelis Calkoen at the Sublime Porte 1726-1744 . Ankara 1975. Cornelis de Bruyn, Reizen door de vermaardste delen van Klein-Asia . Delft 1696. D.W. Canneman, De Batavorum mercature Levantica . Hagae Comitis 1839. W.E. van Dam van Isselt, 'Eenige lotgevallen van Jacob van Dam, consul te Smirna van 1668 tot 1688'. In: Bijdragen Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde , 4e reeks VI (1907) , p. 78-136. W.E. van Dam van Isselt, 'De klachten tussen 1672 en 1675 ingebracht tegen Jacob van Dam, consul te Smyrna'. In: Bijdragen Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde , 4e reeks VI (1907) , 277-351. W.E. van Dam van Isselt, 'Het ontwerp-regeeringsreglement voor de Levant van 1673 en het formulier van 1675'. In: Bijdragen Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 4e reeks VI (1907) , 379-429. W.E. van Dam van Isselt, 'Het 'in train brengen' van het in 1675 voor de Levant ontworpen formulier (1675-1680)'. In: Bijdragen Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 4e reeks VII (1909) , 289-332. Du Mont, Reyzen . Utrecht 1699. A.H. de Groot, The Ottoman Empire and the Dutch Republic. A History of the earliest diplomatic relations. 1610-1630. Leiden 1978. E.J.P. de Hochepied, Généalogie abrégée de la famille de Hochepied . Smyrna 1920. J.G. Nanninga, 'De Nederlandsche koopman in de Levant en de vrije handel'. In: Historische Opstellen, opgedragen aan H. Brugmans . Amsterdam 1929. J.W. Samberg, De Hollandsche gereformeerde gemeente te Smyrna, de geschiedenis ener handelskerk . Leiden 1928. O. Schutte, Repertorium der Nederlandse vertegenwoordigers, residerend in het buitenland . 's-Gravenhage 1976. B.J. Slot, 'Commercial activities of Koraïs in Amsterdam'. In: Eranistis 16 (1980) p. 55-139. B.J. Slot, 'O Dêmêtrios Kourmoulês kai to diethnes emporion tôn 'Ellênôn. In: Mnêmôsynê 5 (1974-1975) , p. 115-149. J. E. de Sturler, De Nederlandsche protestantsche kerk en het Nederlandsch hospitaal te Smyrna. Smyrna 1903. M. Wagenvoort, 'Smyrna en zijn Hollandse kolonie' (losse bladen uit een dagboek). In: Op de Hoogte , jaargang 1905, p. 27-34, 89-97, 153-163.
Concordans van de nummering 1893 met de nieuwe nummering
Het schijnt dat er meerdere series registers van uitgaande brieven bestaan hebben: aan autoriteiten in Nederland, aan Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers en aan particulieren. Waarschijnlijk bestond er ook een aparte serie registers met brieven die door de Nederlandse consul geschreven werden in zijn hoedanigheid van protector van onderdanen van andere Europese mogendheden. Uit de periode voor 1733 zijn alleen de registers van uitgaande brieven aan autoriteiten in Nederland bewaard gebleven. Er is nooit strikt de hand gehouden aan de scheiding tussen de verschillende series registers, zodat men in de hieronder genoemde registers ook stukken aantreft die in de andere series thuishoren. Veel uitgaande brieven werden niet alleen in de officiële brieveoeken van het consulaat afgeschreven, maar ook in particuliere aantekenboeken van de consuls, zie hieronder nummers 677-680. Deze aantekenboeken geven een indruk van de inhoud van verloren gegane series.
Aangezien de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen gedurende deze jaren waren gesloten, horen deze stukken strikt genomen niet op deze plaats in de inventaris thuis. Aangezien zij echter inhoudelijk een geheel vormen met de serie brieven van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers zijn zij hier toch geplaatst.
Deze 'plakkaatboeken' werden vermoedelijk samengesteld door het college van directeuren van de Levantse Handel te Amsterdam; in het archief van dit college vindt men verscheidene van dezelfde soort banden.
Het kanselarijarchief is slechts bewaard gebleven vanaf 1741. Afschriften van oudere kanselarijstukken kunnen gevonden worden in de particuliere aantekeningen van de consul, zie nos. 677-680.
Notulen van eerdere vergaderingen van de Nederlandse natie kunnen van tijd tot tijd aangetroffen worden onder de akten van de kanselarij, zie hieronder nrs.137-198.
Deze vertaling is automatisch gegenereerd en kan fouten bevatten. Pagina's die persoonlijke informatie bevatten worden vanwege de privacy niet automatisch vertaald en zijn alleen beschikbaar in het Engels. Lees hier meer over onze vertaalde website.